Ik kan me het gesprek vorige week dinsdag nog goed voor de geest halen. Tijdens het avonddiner, 2 uur voor de start van de trainingskoers op Papendal. “Je moet bereid zijn om te vallen” was het statement. Genoeg aanleiding voor een discussie. “Ik probeer het, als het kan, te voorkomen”, was mijn reactie. Dat was natuurlijk ook de bedoeling, de essentie was dat je bereid moet zijn risico te nemen. Bereid zijn om net iets harder door de bocht te gaan of net iets dichter op je voorganger te durven rijden. Daarbij heb je voordeel ten opzichte van anderen, maar neem je het ook risico te vallen. En alsof de duvel ermee speelt, zo’n 2,5 uur later, een ruim half uur in de koers hoor ik een hoop gekletter achter me en is er een massale valpartij gebeurd. De schade: een hoop schaafwonden, beurse plekken, één breuk. Verder voor duizenden euro’s aan afgeschreven materiaal.
Ik hoor een renner door de telefoon het thuisfront op de hoogte stellen. “Ja, een valpartij. Nee, met mij is alles goed. Wel veel schaafwonden en ik zal de komende dagen wel stijf zijn. Mijn fiets is er erger aan toe: wielen, derailleur, ketting, shifter, misschien zelfs het frame. Mijn lichaam heelt wel weer, die fiets kost geld om te repareren.”. Het leek alsof hij de schade aan zijn fiets het ergst vond. Ik heb liever dat mijn fiets kapot gaat dan ikzelf. Het is namelijk helemaal niet vanzelfsprekend dat het lichaam weer heelt. Het hele peloton rijdt rond met littekens, sommige met een permanente beperking en een enkeling moeten stoppen met fietsen. Nee, als ik mag kiezen dan betaal ik liever alleen de schade aan mijn fiets.
Inmiddels weet ik het zeker, alle renners zijn bereid te vallen. Je merkt het regelmatig aan het gedrang in de koers en de risico’s die er genomen worden. Iedereen probeert ook een val te voorkomen, gezien de vele near misses en close calls. Een brul hier, een duwtje daar en snel even in de remmen knijpen. Soms schiet je iemand voorbij in een bocht: “Die is minder bereid om te vallen als ik”. Meestal gaat het goed. Val je toch, dan sta je zo snel mogelijk op, controleer je je fiets en rij je weer door. Als er niets uit het lichaam steekt kun je verder. Misschien gaat het dan niet meer van harte, maar je doet het wel. De koers gaat door en het liefst met jou er bij.
Wouter Weylandt was bereid te vallen en dat was hem vast ook al eens overkomen. Zijn naam kwam me slechts bekend voor, toch gingen de beelden door merg een been. Omdat ik zijn type ken, hem net als alle andere renners bewonder. Alsof hij een vriend is, die goede buurman van het land hiernaast. Hij stond niet meer op, controleerde zijn fiets niet en reed niet verder. De etappe was niet meer belangrijk, maar ik keek geschokt verder in de hoop goed nieuws te krijgen over zijn toestand. De podiumceremonie werd afgelast. “We weten nu waarschijnlijk meer dan er officieel bekend is”, klonk het sporza commentaar. Het werd een zwarte dag in de geschiedenis van het wielrennen.
Je moet bereid zijn om te vallen… Maar toch niet zo hard dat je er dood aan gaat? Of is dat nou eenmaal het risico van vallen, dat je verkeerd terecht komt?


