Ging ik voorheen gewoon een stukje rijden, tegenwoordig ga ik trainen. Het verschil lijkt triviaal maar is er wel degelijk. Zo ben ik met enige regelmaat naar het kopje bloemendaal gereden met vrienden. Het kost een uur om bij het kopje te komen, dus dan wil ik er ook minimaal een aantal keer overheen fietsen. Meestal leidde dit tot weerstand bij mijn reisgenoten die één beklimming voldoende vonden, met een terugreis van 25 km voor de boeg.
Maar vandaag was alles anders. Ik ben alleen naar bloemendaal gegaan, met de auto. Ik heb in de buurt van het kopje geparkeerd om vervolgens lokaal mijn warming up te doen. En daarna, zoals geleerd tijdens het trainingsweekend, zonder te stoppen tien keer omhoog gereden. Ik heb twee punten gekozen, één aan de voet en één op de top, en daar elke keer direct gekeerd. Mijn garmin gaf op deze punten netjes mijn tijd door, dus ik kon ook nog zien hoe ik het deed ten opzichte van eerdere keren.
Tijdens de training zelf heb ik wat geëxperimenteerd met mijn traptechniek. Ook ben ik dele van de beklimming uit het zadel gekomen, gewoon, omdat ik dat lekker klimmen vind. En om het competitieve karakter in de training te houden probeerde ik de teller niet onder de 20 km/u te laten zakken, wat grotendeels gelukt is.
Na de tiende keer heb ik een cooling down gedaan richting de auto en ben ik weer naar huis gereden, met een voldane tinteling in de spieren rond mijn heup. Volgende keer doe ik een paar beklimmingen extra, want volgens mij kan ik die er best bij hebben.


